De volgende rapporten zijn geschreven en samengesteld door ing. H. Bouwman te Vorden en verschenen eerder o.a. in het Z-Magazine (Studbook Zangersheide).

De overbodige (?) paardenchip - december 2004, sterk ingekort

Veelkoppig monster
Ter identificatie van het paard geldt in de EU uitsluitend de paspoortplicht, zonder aanvullende transponderplicht. Deze laatste geldt op dit moment alleen in Nederland. Frankrijk en Ierland zijn er ook al een eind mee heen en in België gaat het feest dus binnenkort beginnen. Aangezien grensoverschrijdende activiteiten voor de paardensector van levensbelang zijn - zowel voor het intracommunautaire handelsverkeer als voor het starten op internationale wedstrijden - is de paardensector een schoolvoorbeeld van datgene, waarvoor de EU is bedoeld. Aangezien Duitsland in de EU het belangrijkste paardenland (fokkerij en sport) is, leidt hier het spelen van gidsland ("het beste jongetje van de klas") door de westelijke buurlandjes tot uitermate vervelende bijwerkingen. Zoals: in Nederland gechipte paarden worden in Duitsland van een Duits brandmerk voorzien. Het paspoort wordt overgeschreven, geen probleem, maar door dat legaal toegevoegde Duitse brandmerk is het in Nederland gefokte paard voor de buitenwacht "made in Germany". Het verbod om met Duits gebrande paarden op Nederlandse wedstrijden te starten is inmiddels geschrapt; in België schijnt dit daarentegen nu toch weer de kop op te steken. Het chip-spook dat door de Lage Landen waart is kennelijk een veelkoppig monster.

Intimidatiebeleid
De Nederlandse overheid heeft zelf en via de stamboeken gepubliceerd dat de paardenchipverplichting op 18 september jl. is ingegaan. De tekst is duidelijk genoeg. Geen enkele van deze aankondigingen verwijst echter naar voorafgaande publicatie in de Nederlandse Staatscourant. Actief zoeken op dit kenmerk heeft ons niets opgeleverd. Is het ontmoedigingsbeleid gekoppeld aan een intimidatiebeleid? Of is hier sprake van publieksrechtelijke wishful thinking?

Oogherkenning
Het nieuwe identificeren gebeurt met biometrie. Dat is de electronische herkenning van individuele lichaamskenmerken. De aanslag op het World Trade Center heeft de ontwikkeling in een stroomversnelling gebracht. De humane iris-scan is evengoed toepasbaar op grote zoogdieren.
Implantatie is overbodig, vervalsing is onmogelijk, ongelukjes zijn uitgesloten. Het ding heeft ook al een naam: "OptiReader" en is bij Amerikaanse koeien getest. Maar er zijn Europese ministers die geen kranten lezen...


De juridische gevolgen van gecoupeerde hondenoren - juni 2004, ingekort

Chip weigeren mag
Hieruit blijkt, dat de roep om harmonisatie volkomen terecht is. Dit soort dingen moeten de Europese lidstaten gezamenlijk regelen. Dat geldt trouwens ook voor de electronische dierherkenning (transponder oftewel chip). De chip is per 01-01-2004 verplicht voor alle op Nederlands grondgebied aanwezige paardachtigen, te beginnen met de dit jaar geboren veulens. Per 01-01-2007 moet alles zijn gechipt. Laatstgenoemde datum, die in de overgangsbepaling van de verordening staat vermeld, ontbreekt echter in de tekst van de informatiefolder, die door het PVV massaal is verspreid (in het plasticje van alle stamboekbladen).
De EU-regelgeving rept alleen over een paspoort, niet over een chip. Toch meldt het Sectorbestuur op 08-04-2004: "De notificatieprocedure in Brussel betreffende de chipverplichting is met goed gevolg afgerond, zodat deze nu onverkort van kracht kan worden. De verplichting zal via een voorzittersbesluit in werking treden. Dit betekent onder meer dat alle veulens die na 01-01-2004 zijn geboren, vóór ze 7 maanden oud zijn, moeten worden gechipt en voorzien van een paspoort. Uitsluitend voor eigenaren die vanwege gewetensbezwaren hun veulen en/of paard niet willen laten chippen bestaat de mogelijkheid om ontheffing van deze verplichting te krijgen. Als identificatie moet dan de DNA-code van het paard vastgelegd worden. Deze ontheffing dient met een motivatie aangevraagd te worden bij de voorzitter van het PVV. De procedure hiervoor staat omschreven op www.nl-paardenpaspoort.nl."
Je mag de chip dus weigeren, maar makkelijk is de procedure niet en een collectieve aanvraag zal vooreerst wel worden afgewezen. Studbook Zangersheide kent al een DNA-verplichting en zal collectieve aanvraag waarschijnlijk via de rechter moeten afdwingen. Want deze ontheffingsmogelijkheid is uiteraard zo lastig mogelijk gemaakt en staat niet in de PVV-folder.

Kontje tegen de krib
Omdat de overheid iets oplegt, waarvan de risico's op lange termijn nooit zijn onderzocht, dus niet normaal verzekerbaar zijn, was een ontheffingsclausule noodzakelijk. Immers, wat de chip, in veterinair jargon een "corpus alienum" (vreemd voorwerp), eventueel aan ellende zou kunnen veroorzaken in de hals van een zwaar doorgegymnastiseerd sportpaard dat perfect moet afbuigen (bijvoorbeeld een GP-dressuurpaard), is nog niet wetenschappelijk vastgesteld. Daar is namelijk een significant aantal Grand Prix-paarden voor nodig, dat tot het eind van hun sportcarière moet worden gevolgd. Dat kost veel geld en duurt minstens een jaar of 15.
Het gerucht gaat, dat het PVV, in dit geval de wetgever, heeft geprobeerd dit probleem te omzeilen door een uitzondering te maken voor paarden die in waarde het reguliere maximaal-verzekerbare bedrag overstijgen. Het schijnt namelijk dat een bekende dressuuramazone haar kontje dwars tegen de krib heeft gegooid. Met alle te vrezen massa-publiciteit van dien. Toen haar paarden in de concept-verordening waren vrijgesteld, dreigde de anti-chip-club (elke actie roept reactie op) met een proces wegens discriminatie. Saillant detail: dit akkefietje spitste zich toe op een in Duitsland gefokt paard, dat als veulen al van een brandmerk was voorzien. Zou het niet-chippen van dit paard discriminatie betekenen ten opzichte van alle Nederlanders met "gewone" paarden, het wèl-chippen zou betekenen dat Nederland het Duitse identificatie-systeem niet erkent. Dus: de ene lidstaat discrimineert de andere. Maar afgezien van deze Europese consequentie was het juridisch sowieso een volstrekt onhoudbaar ideetje: Alle gewone paarden wèl, alleen de heel dure paarden niet! Bij onze controle op 17-05-2004 bleek de integrale tekst van de I&R-verordening op de website van het PVV bijgewerkt tot 22-10-2003, dus nog steeds zonder de ontsnappingsclausule voor gewetensbezwaarden. Evenmin bleek de op 08-04-2004 aangekondigde inwerkingtreding geëffectueerd. En ook de aangekondigde omschrijving van de procedure ontbrak. Zand tussen de radartjes? Daar lijkt het wel op. In Frankrijk, waar de minister van Landbouw op 26-08-2003 een hippisch chip-decreet heeft getekend, is de definitieve inwerkingtreding (= einde overgangsbepalingen) vastgesteld op 01-01-2008. Benieuwd hoe het de chipweigeraars daar vergaat. Uit de Nederlandse ervaringen valt voor de Fransen wel iets te leren. In elk geval is duidelijk dat "Brussel" dit soort regelgeving niet aan de lidstaten kan overlaten.


I&R van paarden dmv transponder en paspoort - februari 2001

De feiten gerangschikt
Identificatie van paardachtigen gebeurt in Nederland sinds 1879 (oprichting van "Het Nederlandsch Paardenstamboek") door middel van een afstammingsdocument waarop tevens een beschrijving van het signalement (witte aftekeningen en andere bijzondere, met het blote oog zichtbare kenmerken). Tot voor kort gold dit uitsluitend voor door een stamboekorganisatie geregistreerde dieren. Deze "geregistreerde paardachtigen" zijn vanaf 01-01-1998 onderworpen aan de Europese paspoortplicht (Beschikking 93/623/EEG, dd 20-10-1993). Per 01-07-2000 is deze verplichting uitgebreid tot "als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen", kortweg ALLE in de Europese Unie aanwezige paarden, pony's, ezels, zebra's of kruisingen daarvan (Beschikking 2000/68/EG, dd 22-12-1999).
De Europese Commissie heeft om haar moverende redenen tot op heden met betrekking tot de verplichte I&R (identificatie & registratie) van paardachtigen géén nadere voorwaarden gesteld, dan het geschreven tevens getekende signalement in het paspoort. De per 01-01-2001 door de NHS (Nederlandsche Hippische Sportbond) verplicht gestelde transponder als aanvulling op het paspoort valt derhalve geheel onder de verantwoordelijkheid van de sportvereniging en niet onder verantwoordelijkheid van de overheid, noch nationaal (ministerie van LNV), noch internationaal (Europese Commissie).
De Europese Commissie heeft paardachtigen buiten de I&R voor runderen, varkens, schapen en geiten (Richtlijn 92/102/EEG, dd 27-11-1992) gehouden. Waar voor herkauwers en varkens in de richtlijn de I&R-middelen met name worden genoemd (oormerk of tatoeage), blijven deze bij de paardachtigen achterwege. Het paard is immers een gezelschapsdier met emotionele waarde dat slechts na langdurig gebruik bestemd is voor consumptie. Is een oormerk vanwege de emotionele waarde onwenselijk, het feit dat paardachtigen zowel in boven- als onderkaak snijtanden hebben, maakt, in combinatie met kuddegedrag, een oormerk ongeschikt.
Tatoeage is, vanwege de beharing in de oorschelp, alleen mogelijk in de (onder)lip of in de tong. Dit zijn evenwel zéér gevoelige locaties. Het implanteren van een transponder (in de volksmond: chip) lijkt een uiterst welkom alternatief voor het in sommige landen traditionele brandmerk. Hoewel er in Brussel regelgeving in de maak is, waarbij wellicht het brandmerken van paarden per 01-01-2002 niet meer zal zijn toegestaan, heeft de Europese Commissie tot op heden gewacht met het implementeren van de transponder in de vigerende regelgeving ter zake. De reden is het internationale IDEA-project.
IDEA-project
Het IDEA-project omvat grootschalige proeven met transponders bij runderen, schapen en geiten in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Portugal. Bij runderen worden drie methodes getest: het injectaat in het kraakbeen achter het oor, het oormerk waarin een chip zit opgesloten en de bolus -waarin een chip zit opgesloten- via een sonde ingebracht in de netmaag. In Nederland doen ca 400 melkvee-, vleesvee-, stieren- en zoogkoeien-bedrijven mee waar in totaal 34.000 oormerken, 34.000 bolussen en 12.000 injectaten worden getest. De proef eindigt voorjaar 2001. Daarna volgt rapportage op Lid-Staat niveau, evaluatie op Europees niveau en, bij gebleken geschiktheid, implementatie van een of meer methoden in de EU-regelgeving.
Paardachtigen zijn om twee redenen niet in deze proef opgenomen. Ten eerste is bij paardachtigen slechts één methode, intramusculair injectaat, mogelijk. Ten tweede heeft het paard een gebruiksduur, die de gebruiksduur van runderen met een factor 5 (melkvee) resp. factor 10 (overig rundvee) overstijgt.
Bij schapen is de bolusmethode tot een leeftijd van ca. 4 maanden onbruikbaar ivm de te kleine inhoud van de netmaag. Voor geiten geldt hetzelfde, terwijl bovendien bij deze diersoort grote verliezen aan oormerken optreden vanwege het onderlinge gedrag (knabbelen). Omdat de schapenrassen zeer verschillen wat weefseldikte betreft, zijn de oren incl. directe omgeving minder geschikt.Bij schapen en geiten kan de chip worden geïnjecteerd in de staart. Waarom komt deze locatie ivm paardachtigen nooit ter sprake?
In opdracht van de Duitse hippische federatie FN is door prof. Heinz Meyer* literatuuronderzoek gedaan met betrekking tot identificatie van paarden. Daaraan wordt in dit rapport regelmatig gerefereerd, aangezien "Schmerz, Heissbrand und Transponder" een zeer uitgebreid overzicht geeft van alle relevante wetenschappelijke documentatie tot op dat moment (1997) en er in Nederland -en volgens mijn informatie ook in andere Westeuropese landen- geen vergelijkbare studie beschikbaar is.
Meyer ziet inderdaad, zéér tegen de opvatting van zijn opdrachtgever in, wel degelijk de voordelen van idendificatie dmv de transponder in vergelijking met het brandmerk. Maar Meyer stelt met grote nadruk, dat de identificatie van (landbouw)huisdieren een bevoegdheid is van de Europese Commissie en dat een eventuele verplichting tot electronische identificatie van paarden een politieke beslissing is die in "Brussel" moet worden genomen. Hij meent dat de Europese Commissie daartoe inderdaad "binnen afzienbare tijd" zal besluiten.

Slachtlijn
In het kader van de EU-regelgeving inzake BSE (bovine spongiforme encephalopathie) wordt zgn SRM (specifiek risico materiaal) uit de karkassen van herkauwers verwijderd en vernietigd. Kop en wervelkolom (incl. staart) zijn SRM; chips die in herkauwers zijn geïnjecteerd kunnen dus niet in de voedselketen terecht komen. Paardachtigen vallen (nog) niet onder de RSM-maatregel. Maar zelfs al zouden kop en wervelkolom worden vernietigd, dan maakt dat voor de chip geen verschil. De chip wordt bij paardachtigen immers geïnjecteerd in consumptie-vlees, namelijk de spieren van de hals ter hoogte van de 5e halswervel.
Overigens constateerde de Duitse onderzoeker H. Konermann in de ongelijk vierhoekige spier (Musc. trapezius portio cervicalis = het halsgedeelte van de bovenste nekbandschouderspier) meer vorming van bindweefsel (noodzakelijk om het corpus alienum in te kapselen) dan op de plaats (5 cm onder de manenkam) waar veel Nederlandse hulpkrachten hun transponders inbrengen. De sinds 1997 op de afdeling Heelkunde van de Faculteit Diergeneeskunde te Utrecht opgeleide paardenpaspoortconsulenten (ppc's) injecteren de transponder gewoonlijk in de nekband (Musc. Rhomboideus).
In welke halsspier de transponder zich bevindt, maakt aan de slachtlijn niets uit, het omhullende vlees is in principe bestemd voor consumptie.
De boven genoemde Beschikking 2000/68/EG dd 22-12-1999 voorziet in een eigenaarsverklaring "niet bestemd voor menselijke consumptie" op grond van toegediende geneesmiddelen. Deze verklaring is eenmalig en definitief. Een volwassen sportpaard weegt 550 à 650 kg en vertegenwoordigt een waarde van Hfl 1.200 à Hfl 1.500. Onder invloed van de BSE-toestand zal dit bedrag in de toekomst eerder toe- dan afnemen.
De beschikking voorziet niet in een procedure voor melding en verwijdering van een transponder. Meyer constateert dat de berichten omtrent het verwijderen van transponders aan de slachtlijn zeer verschillend zijn. G.A. Mitchell, directeur van de Veterinaire Dienst van het Amerikaanse ministerie van Landbouw, verklaarde in 1995: "Electronische transponders moeten vanuit de optiek van het ministerie worden beschouwd als toevoegingen aan het voedsel en zouden derhalve niet internationaal verhandeld mogen worden, vóórdat er een regeling getroffen is ten aanzien van de veiligheid."
Dr. A.E. Füssel, eerste adviseur van de Europese Commissie inzake diergeneeskundige en zoötechnische regelgeving, informeerde de leden van de WBFSH (World Breeding Federation for Sport Horses) tijdens een Seminar in Itzehoe (D) op 31-10-2000: "Momenteel loopt er een onderzoek op Europees niveau naar de sanitaire gevolgen van het inplanten van een chip. Er moet rekening mee gehouden worden dat het resultaat van het onderzoek zou kunnen zijn dat gechipte paarden niet geslacht mogen worden." Onder invloed van de BSE-toestand zullen de tarieven voor destructie, nu al krankzinnig hoog, voortdurend stijgen.

Preventie van diefstal en/of fraude
Hoeveel paarden en pony's er in Nederland zijn is niet precies bekend. Het CBS noteerde aan de hand van de jongste landbouwteling 80.000 paarden en 40.000 pony's. Het aantal paarden en pony's dat niet op tellingplichtige bedrijven ("iedere ruimte of iedere inrichting waar gewoonlijk paardachtigen worden gehouden of gefokt, ongeacht hun gebruik") wordt gehouden, is echter veel groter. Hoeveel groter weet zelfs het CBS niet - dit instituut schat het totale aantal tussen 310.000 en 440.000 stuks, dus met een foutmarge van 41,9 procent!
Diefstalpreventie is een veel gehoord argument ter invoering van de chip. Diefstal van paardachtigen is echter een onderwerp waarvan de omvang onbekend is. Ten eerste omdat een onbekend aantal paardachtigen niet tegen diefstal is verzekerd, ten tweede omdat het onmogelijk is een onbekend aantal gestolen paardachtigen te relateren aan een onbekend aantal aanwezige paardachtigen. De paspoortverplichting zal, bij stricte controle in het slachthuis, voldoende afschrikken om diefstal van paardachtigen onaantrekkelijk te maken. Het is aan de verzekeringsmaatschappijen om de EU-paspoortplicht aan te vullen met een chipverplichting.
Diefstalpreventie is geen taak voor overheden c.q. sportbonden en stamboeken. Overigens is een waterdichte I&R op dit moment alleen mogelijk met een systeem waarbij de code van de transponder in het paard correspondeert met de code van een transponder die in het paspoort zit verlijmd en alleen verwijderd kan worden door het paspoort onherstelbaar te beschadigen. Deze techniek is volgens mijn informatie (nog?) niet beschikbaar bij de leverancier van de NHS-transponder (Virbac Nederland bv, Barneveld) aangezien het patent berust bij Europoint Technology Ltd, Hurstpierpoint, GB.
Het tegengaan van fraude (paard onder verkeerde naam starten, paard in een te lage klasse starten) is, in tegenstelling tot diefstalpreventie, wèl een zaak van de sportorganisatie. Per organisatie (NHS, KNF, NBVR, NKB, NPC etc.) is op jaarbasis precies bekend hoeveel individuele paardachtigen hoeveel starts per jaar laten noteren. Nog nooit zijn cijfers gepubliceerd met betrekking tot de aantallen geconstateerde frauduleuze starts. Het aantal frauduleuze starts in relatie tot het totale aantal starts is derhalve onbekend.

Zwervende chips
Wanneer een transponder subcutaan wordt ingebracht, is migratie zeer wel mogelijk. Subcutane injectie vindt plaats bij honden, katten en varkens. Bij de laatste diersoort vermeldt Meyer een Nederlands onderzoek, waarin "enkele honderden" biggen onderhuids aan de oorbasis zijn gechipt. Aan het eind van de mestperiode was 12 % niet afleesbaar wegens beschadiging of wegens verlies als gevolg van ontsteking. Aan de slachtlijn werd 66 % van de transponders aan de oorbasis teruggevonden, 13 % zat ergens in de kop, 21 % zat in de nek. Bij intramusculaire toepassing zijn dergelijke afwijkingen niet gedocumenteerd. Migraties over grote afstand -"in de hals geïnjecteerd en in de biefstuk teruggevonden" kunnen vooralsnog naar het rijk der indianenverhalen worden verwezen. Maar met betrekking tot de in Nederland gebruikelijke Musc. Rhomboideus vraagt Meyer zich af hoe op deze locatie de juiste positie gewaarborgd kan zijn. Deze spier bevindt zich zó dicht bij het manenvet dat al bij een geringe afwijking van de injecteur de transponder in het vetweefsel terecht kan komen. Hetgeen van invloed is op de al dan niet stabiele positie van de transponder Hoewel de chip na een juist uitgevoerde intramusculaire injectie niet of nauwelijks zal migreren, maakt Meyer toch een nadrukkelijk voorbehoud:
"De implantatie van transponders in de hals van alle warmbloedpaarden is volgens mij en om redenen van dierenwelzijn pas verantwoord, wanneer de stabiliteit van het materiaal, de verdraagzaamheid ten opzichte van het weefsel, de technische levensduur gedurende minstens 15 à 20 jaar en het onvoorwaardelijk functioneren onder de specifieke belasting van een rijpaard -vooral bij veelvuldig en sterk verzameld buigen van de hals- is bewezen.(...) Ondubbelzinnige onderzoeksresultaten zijn echter (nog) niet beschikbaar. En dat lijkt mij noodzakelijk, om de prestaties van de transponder als identificatiemiddel voor rijpaarden zonder voorbehoud te kunnen gebruiken."
Hackers
Meyer besteedt ook aandacht aan het argument dat hackers in staat zijn om de code van de transponder te wissen c.q. te wijzigen. Wissen is volgens hem alleen mogelijk met behulp van een (zéér) sterk electromagnetisch veld waarbij het materiaal in de transponder (halfgeleider) wordt vernietigd en het paard zeer waarschijnlijk overlijdt. Meyer vermeldt echter geen empirisch bewijs.
Een andere methode tot misleiding zou volgens Meyer het implanteren van een tweede transponder zijn, op zeer korte afstand van de eerste. Afhankelijk van de afstand waarop de controleur zijn reader beweegt, geeft dit apparaat beurtelings de ene, dan weer de andere code weer, of, bij gelijktijdig reageren van beide transponders, het signaal "no found". Meyer acht het niet alleen zeer moeilijk om een intramusculair geïmplanteerde transponder te doen "overstemmen" door een daar boven en dus subcutaan ingebrachte tweede transponder; hij meent bovendien dat de fraudeur het door hem beoogde effect niet zal kunnen bereiken. Zeker niet, wanneer de reader een optimale antenne-capaciteit heeft.
Meyer stipt nog een mogelijkheid tot fraude aan: het omringen van de eerste transponder door een aantal transponders met identieke code. Het is inderdaad mogelijk om dergelijke transponders te maken, maar het is zeer gecompliceerd en dus kostbaar. Meyer weegt het belang dat een hacker kan hebben om de identiteit van een paard te veranderen af tegen de daartoe te plegen inspanning en komt tot de conclusie dat hacken theoretisch mogelijk is maar slechts in hoge uitzondering rendabel is. Een intramusculair ingebrachte chip kan alleen chirurgisch worden verwijderd, met achterlating van blijvend zichtbaar littekenweefsel.

Dierenwelzijn
Meyer vermeldt in zijn literatuurstudie geen enkel onderzoek waarin een eventueel effect van de transponder op de energiebanen in het paardenlichaam is of wordt onderzocht. Waar methoden als acupunctuur, osteopathie e.d. tegenwoordig geaccepteerde medische handelingen zijn, ook in de over haar eigen allopathische grenzen heen kijkende paardengeneeskunde, geldt Meyer's voorbehoud inzake algemene toepassing ongetwijfeld ook hier.
Meyer ziet, in tegenstelling tot anderen, het nut om te onderzoeken of injectie onder locale verdoving inderdaad tot aantoonbaar (meetbaar) minder stress leidt dan injectie zonder locale verdoving. Hij komt tot deze uitspraak na waarneming van een -weliswaar beperkt- aantal injecties bij dravers en Friezen."Het veulen wordt onder locale verdoving significant minder belast, dan zonder verdoving" aldus Meyer.
Aangezien een dergelijke locale anaesthesie uitsluitend door een dierenarts mag worden verricht, is het in dat geval onwaarschijnlijk dat de daaraan volgende implantatie van de transponder door een leek (ppc) wordt gedaan.
Behalve verzekeringstechnisch heeft het implanteren door de "huis"-veterinair het voordeel dat deze ook ingeroepen wordt bij eventueel optredende complicaties (nazorg) en dat de dierenarts, ook bij het invullen van de bijbehorende formulieren, gehouden is aan zijn ambtseed en valt onder het veterinair tuchtrecht.
Het gaat bij de transponder niet alleen om de technische levensduur van de halfgeleider. Het gaat ook om het glazen omhulsel. Hoewel klein (2 mm x 12 mm), diep in het spiervlees (3 à 4 cm), op de juiste locatie (minstens 10 cm onder de manenkam) en op de juiste leeftijd (minimaal 6 weken) geïmplanteerd, sluit Meyer niet uit, dat bij extreme inwerking van externe krachten (bijten, slaan door een ander paard, valpartij e.d.) de transponder zou kunnen breken. Hij referereert aan een met opzet geïmplanteerde gebroken transponder. Deze veroorzaakte geen problematische reactie van het omringende weefsel. Maar Meyer acht één proefneming onvoldoende om met zekerheid te beweren dat gebroken transponders niet tot complicaties leiden.

Chips in Nederland en daar buiten
Na ongestructureerde proefnemingen op beperkte schaal (zonder monitoring) zijn in Nederland twee stamboeken per 01-01-1997 gestart met het verplicht chippen van veulens. Dit betreft de Koninklijke Vereeniging "Het Friesch Paardenstamboek" (FPS) en het Nederlands Fjordenpaarden Stamboek (NFPS).
Beide rassen zijn in principe éénkleurig, dus zonder witte aftekeningen aan hoofd en benen. Omdat een geschreven signalement bij deze zwarte resp. wildkleurige dieren alleen goed mogelijk is met behulp van het moeizaam en (vooral bij veulens) tijdrovend documenteren van individueel unieke haarwervels en zwilwratten, hanteerde het FPS de dieronvriendelijke methode van tongtatoeages en het NFPS de methode van buitengewoon ontsierende brandmerken, nl een jaarletter op de rechter schenkel en een "boter-kaas-en-eieren-spel" op de linker schenkel.
Hier is de transponder een welkom alternatief, dat door de leden van beide stamboeken, op een enkele uitzondering na, in dank aanvaard is. De chip blijkt bij dressuurmatige training van de halsspieren niet tot significante problemen te leiden. Daarbij moet worden opgemerkt, dat het hier twee klassieke hobbyrassen betreft, waarmee geen ruitersport wordt bedreven op (inter)nationaal niveau.
Omdat stamboeken die slechts bij uitzondering éénkleurige dieren registreren, het chippen niet verplicht stellen, kunnen paardachtigen die (uiteindelijk) bestemd zijn voor de wedstrijdmatige ruitersport (dieren behorend tot de stamboeken KWPN, NRPS) gewoon deelnemen aan stamboek- en premiekeuringen zonder dat ze zijn gechipt. Deze stamboeken chippen ,<b>uitsluitend op basis van vrijwilligheid.<b> Omdat de warmbloedstamboeken in Duitsland -waar verreweg de meeste in ons land geïmporteerde sportpaarden vandaan komen- evenmin verplichten tot chippen, is de door de NHS ingestelde chip-verplichting een extra eis, die niet voortvloeit uit de geboorteregistratie.
Uit Nederlandse publicaties is nooit gebleken dat proefnemingen op grote schaal en over een lange periode onder Nederlandse sportomstandighedenzijn verricht. Evenmin hebben de betreffende instanties (NHS, werkgroep I&R, ABWS-organisaties, stamboeken) ooit in publicaties gerefereerd aan het bovengenoemde literaruuronderzoek door Meyer. Evenmin zijn de juridische consequenties en de rechtspositie van gewetensbezwaarden in officiële publicaties aan de orde gesteld.
Net als in Nederland is ook in Duitsland en België het chippen van dravers al enige jaren verplicht. Meyer meldt dat bij het Duitse harddraverstamboek HVT sinds 1992 alle veulens worden gechipt en dat in 1997 het aantal van 10.000 was bereikt. Volgens mededeling van het HVT had een chip in 10 gevallen tot problemen geleid (1 promille). Meyer tekent hierbij aan, dat dravers gewoonlijk koersen in de leeftijd van 2 t/m 5 jaar en daarna als fokpaard eventueel vrijetijdspaard geen extreme belasting van de halsspieren (verzameling) ondergaan. Is de koerscarrière matig en dus korter dan de gebruikelijke vier jaar, dan wordt het betreffende dier meestal geslacht. Een voor sportpaarden relevant bewijs voor levensduur van de chip is uit de draverswereld dus niet herleidbaar.
In de VS is het stamboek voor Tennessee Walking Horses als eerste begonnen met het verplicht chippen van alle dieren. Meyer meldt, dat dit stamboek, vanwege problemen aan de slachtlijn, ook als eerste de chipverplichting weer heeft opgeheven. Op dat moment waren al ca. 6.000 Tennessee Walking Horses gechipt!

Het heilig brandmerk
Meyer's onmisbare documentatie is te danken aan de onwil in de Duitstalige landen om het brandmerk af te schaffen. In alle landen die zich ooit (tot 1918) bevonden binnen de grenzen van de keizerrijken Duitsland en Oostenrijk-Hongarije is het brandmerk heilig. Te vergelijken met de ster op een Mercedes, maar dan met nog meer chauvinisme beladen. Dit geldt niet alleen voor Duitsland (veruit het belangrijkste paardenland in Europa) maar ook voor Oostenrijk (vaderland van Landbouwcommissaris Franz Fischler) en de zgn Nachfolgestaaten Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Roemenië en Slovenië. Van deze zes staan er vier op de nominatie om toe te treden tot de EU.
Ooit gebruikten de Oostenrijkers een brandmerksysteem (onder het zadel) om paarden waarvan (door oorlogshandelingen) het papier zoek was, de origine (individu, herkomst en afstamming) te kunnen herleiden. In Duitsland was het brandmerk een teken van raszuiverheid. Eind jaren '60 is men in Duitsland begonnen om de twee laatste cijfers van het vijfcijferige individuele levensnummer onder het brandmerk (linker schenkel) of onder de manenkam (linker halsvlakte) te plaatsen. Dat laatste is sinds 1997 verboden.
De Duitse warmbloedstamboeken hechten zeer aan hun vaak meer dan 100 jaar oude brandmerken; waar deze paarden een markant exportartikel vormen is het evident dat de FN-Abteilung Zucht (lees: de Duitse minister van consumentenbescherming en landbouw, lees: de Duitse Bondsrepubliek) zich tot het uiterste zal verzetten tegen invoering van de chip, die immers het afschaffen van de brandmerken met zich mee brengt. De Europese Commissie (geïmplementeerd in het Ingrepenbesluit dd 25-01-1996, Stb 139) verbiedt meer dan twee ingrepen ter identificatie bij hetzelfde dier. Waar stamboeklogo en individueel nummer twee verschillende doelen dienen (ras- resp. individu-bepaling) zijn ze te beschouwen als twee brandmerken, ook al worden ze (meestal) tegelijkertijd aangebracht. Het is nog maar de vraag of een dergelijke paardachtige gechipt mag worden. In elk geval staat nu al vast, dat brandmerken + chippen geen optie is.Duitsland zal zich dus tot het uiterste verzetten tegen eventueel verplicht chippen. De FN zet in op de methode van DNS-analyse. Het per individu unieke desoxyribonucleïnezuur is vergelijkbaar met het zgn DNA-profiel. Net als de chipcode moeten DNS- resp. DNA-profiel worden opgeslagen in een databank. Hetzelfde geldt voor de op dit moment nog in de kinderschoenen staande biometrische techniek van iris-herkenning. Het verschil zit in de directe toepassing.
De chip is voor controle op het concoursveld direct inzetbaar; klopt de chipcode niet met de gegevens via de on-line databank-verbinding op het wedstrijdsecretariaat, dan kan het paard meteen worden uitgeloten van deelname.
DNS- resp. DNAS-profiel zijn niet algemeen maar wel steeksproefgewijs bruikbaar en de controle is achteraf: haarmonster trekken, verzegelen, opsturen naar het lab, uitslag, sanctie achteraf.
Wanneer de beweegreden is het tegengaan van fraude, dan maakt het weinig uit of de sanctie ter plekke of achteraf in werking treedt.Niet de toegepaste techniek maar de afschrikwekkende werking is hier essentieel!
Wanneer de beweegreden is een 100 % waterdichte administratie van alle in Nederland aanwezige paardachtigen, dan is een 100 % overlappend systeem van verplichte dubbele chip (in paard + paspoort), verplicht gecombineerd met een DNA-, DNS-, of eventueel iris-profiel de voor de hand liggende route. Een zeer kostbare route die een ander doel, nastreeft dan hetgeen de NHS zegt na te streven!
Overigens is staatsecretaris Faber met de instelling van een onafhankelijk I&R-bureau in een vergevorderd stadium. Dit bureau wordt een bevolkingsregister voor alle in Nederland gehouden grote zoogdieren. Er zit dus een van overheidswege verplichte I&R aan te komen, ook voor paarden. Het is niet ondenkbaar, dat deze centrale databank het moederbestand gaat beheren, waaruit de paardensport en -fokkerijorganisaties de door hen gewenste data zullen moeten halen.
Het is zeker niet ondenkbaar, dat met behulp van enig "politiek wisselgeld" het brandmerk blijft. Een Europese chipverplichting is dan van de baan. Dit is des te waarschijnlijker, waar paardenvlees tot op heden "schoon" vlees is zonder standaard aan het voer toegevoegde hormonen en/of antibiotica en zonder encephalopathische prionen (de vermoedelijke veroorzakers van nCJD = new Creuzfeldt-Jakob Disease). Bovendien voorziet het verplichte paspoort inclusief eigen verklaring (ivm toegediende geneesmiddelen) in een voldoende garantie, dat niet voor menselijke consumptie bestemde paarden niet in de voedselketen terecht komen - mits de controle in de slachthuizen adequaat wordt uitgevoerd.

Rechtszekerheid
De berichtgeving omtrent het onderwerp I&R-paarden is zeer tegenstrijdig c.q. suggestief. Lees wat het Algemeen Dagblad op 27-10-2000 meldt: "Alle paarden in Nederland krijgen een identificatiechip. Het ministerie van Landbouw stelt dat verplicht. De 500.000 (!) paarden moeten vanaf volgend voorjaar voorzien zijn van een chip in de hals. Deze verplichting gaat verder dan de Europese regelgeving, die bepaalt dat paarden alleen over een paspoort moeten beschikken. Het ministerie vindt die maatregel te summier."
Op 09-12-2000 interviewt het Agrarisch Dagblad ir. J. Klaver, bij het PVV (productschap vee en vlees) verantwoordelijk voor de paardenhouderij (sectorafdeling vee en vlees). Op de vraag hoe alle niet in stamboeken ingeschreven resp. niet in de wedstrijdsport uitkomende paarden en pony's in de I&R worden betrokken antwoordt Klaver dat hij dat niet weet. "Er zal wel een overgangstermijn komen. Hij verwacht dat de NHS en de stamboeken doorgaan met chippen en het uitreiken van paspoorten onder verantwoordelijkheid van het PVV. Hoe lang de zo ontstane overgangstermijn gaat duren, weet Klaver niet."
Op 14-02-2000 publiceert de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie PVV een concept Plan van Aanpak I&R-paarden. Daarin wordt een stuurgroep geïntroduceerd die "een samenhangend pakket van beslisdocumenten moet opleveren voor finale besluitvorming door het bestuur van het PVV." Er zijn nog vier logische stappen ingecalculeerd:
1e "Er dient een systeem van kracht te gaan worden, dat in de jaren daarna uitgebouwd kan worden tot uiteindelijke sluitende I&R-systemen in de paardenhouderij (inclusief microchip)."
2e"Op basis van de voorstellen van de stuurgroep dient juridische implementatie plaats te vinden. De nodige verordeningen dienen hiervoor opgesteld te worden."
3e "De stuurgroep doet voorstellen voor organisatie en uitvoering en financiering van de uitvoering."
4e "De stuurgroep maakt een communicatieplan op basis waarvan communicatie plaats vindt naar de sectorgenoten."
De door de NHS eenzijdig verplicht gestelde, juridisch niet onderbouwde en qua technische levensduur onvoldoende geteste I&R-methode is in tegenspraak met de door het PVV gewekte verwachtingen. Immers, geen der vier bovengenoemde noodzakelijke voorwaarden is tot op heden voldaan.
Er is geen uitzonderingsclausule (alternatieve controle) waarop gewentens- en andere bezwaarden zich kunnen beroepen. Zo'n uitzonderingsclausule is er zelfs -na acht jaar strijd- voor de oormerkweigeraars gekomen. Bovenstaand 2e aandachtspunt van het PVV wekt de verwachting dat chipweigeraars op een zorgvuldige behandeling kunnen rekenen. Deze omissie is des te schrijnender, waar punt 4 van de Leveringsvoorwaarden van de Werkgroep I&R alle risico-aansprakelijkheid afwentelt op de eigenaar: "De ppc (paardenpaspoortconsulent) en de organisatie zijn nimmer aansprakelijk voor vermogensschade als gevolg van de implantatie van de transponder, waardevermindering van het paard, inkomsten- en omzetderving, bedrijfs- en als gevolgschade (moet zijn: vervolgschade, HB) daaronder begrepen."

Vorden, 06-02-2001
ing. H. Bouwman

* Heinz Meyer: "Schmerz, Heissbrand und Transponder. Zur Funktion und tierschutzrechtlichen Relevanz des Heissbrandes sowie alternativer Kennzeichnungsverfahren beim Pferd" Uitgever: Deutsche Reiterliche Vereinigung (FN), Wissenschaftliche Publikation 15, 1997, ISBN 3-88542-291-3

AANVULLING
Op 05-04-2001 heeft ten kantore van de NHS te Baarn een orienterende bespreking plaats gehad tussen vertegenwoordigers van de NHS (groep 1) en vertegenwoordigers van de bezwaarmakers (groep 2). Groep 1 bestond uit: mr. F.Kollen, dr. W.Back en J.Heidema. Groep 2 bestond uit: mr. G.J.Dommerholt, B.Nijhof, mevr. I.v.Dijk, mr. J.G.J. Kersemakers, mr. v.Ganzewinkel en ondergetekende. In dit gesprek deed de NHS-huisadvocaat mr. Kollen twee essentiële mededelingen:
Alternatief
Op 29-03-2001 heeft de NHS een persbericht doen uitgaan met de aankondiging van een tbv bezwaarmakers in het leven te roepen alternatieve I&R-methode. Ondergetekende is gebleken dat dit persbericht NIET algemeen is verspreid. Navraag bij collega-journalisten leerde, dat geen enkele van deze collegae bedoeld persbericht per post en/of per email had ontvangen. De letterlijke tekst is door mr. Kollen niet geciteerd maar is gepubliceerd in de eerstvolgende "Mailcoach" (nr. 7, dd 11-04-2001, blz 8). Omtrent de extra kosten van het alternatief (DNA-methode) kon groep 1 geen specifiekere mededeling doen dan de globale aanduiding "tegen kostprijs". Op de vraag van ondergetekende: "waarom voor de DNA-controle wèl de biologische identiteit van het paard wordt gecontroleerd en voor de chip-controle niet (het paard wordt immers gechipt, zonder dat de biologische identiteit van het paard onweerlegbaar wordt vastgesteld)" bleef groep 1 het antwoord schuldig.
Het DNA-alternatief zal globaal, zonder financiele/technische/organisatorische details, ter goedkeuring worden voorgelegd aan de NHS-ledenraad (18-04-2001), aldus Kollen.
Wetsvoorstel
Mr. Kollen maakte het nadrukkelijk voorbehoud dat "dit DNA-alternatief, indien de Ledenraad accoord gaat, alleen zal gelden gedurende de periode dat er nog geen andere regelgeving is. Er is namelijk een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd om ALLE paarden te chippen. De datum is 23-02-2001, het nummer is 00.00.6997."
Navraag (11-04-2001) bij ir. J.Klaver (PVV) leerde ondergetekende het volgende:
Op 14-03-2001 publiceerde het PVV een "Covernotitie I&R Paarden", kenmerk 100/CN0018, waarin het voorstel om een "tijdelijke ad hoc werkgroep I&R paarden" in te stellen. Het voorstel bevat twee hoofdactiviteiten: "Ontwerp model paspoort" en "EU-verplichtingen vertalen naar PVV-regelgeving". Het voorstel bevat tevens acht deelactiviteiten, waarvan de tweede als volgt luidt: "Ontwikkelen van voorstellen voor betrouwbare identificatiemethoden (schetsen, haarwervels, zwilwratten, chippen, DNA, tatoeage, etc.) incl. voorwaarden t.a.v. de personen die identiteitskenmerken mogen aanbrengen i.c. vaststellen."
Het door mr. Kollen genoemde nummer 00.00.6997 blijkt in werkelijkheid te corresponderen met een advies van de Raad van State dd 09-02-2001 en NIET met een wetsvoorstel. Wel bestaat er een concept-Wijzigingsbesluit "houdende wijziging van het besluit identificatie en registratie van dieren". Dit concept bevat echter geen enkele vermelding van electronische identificatie; het eerste blad draagt het met de hand toegevoegde kenmerk 100/E0020 en de eveneens met de hand toegevoegde datum 14-03-2001. Bij dit concept-Wijzigingsbesluit is een "Nota van Toelichting" gevoegd, waarin electronische identificatie inderdaad ter sprake komt, maar slechts als "verwachte toekomstige toepassingsmogelijkheid". Het concept-Wijzigingsbesluit dient namelijk ter implementatie van het door de Minister van het PVV gevorderde medebewind. Maar uit de Covernotitie blijkt duidelijk, dat het PVV inzake de identificatie-methode nog geen bindend besluit heeft genomen. Ondergetekende beschouwt de uitlating van mr. Kollen derhalve als prematuuren enigszins insinuerend en intimiderend.
Landbouwminister Brinkhorst heeft op 08-03-2001 een "Voorstel van Wijziging op de GWWD" (Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren) naar de Tweede Kamer gestuurd, waarmee hij beoogt de uitvoering van de I&R paarden in handen te geven van het PVV. Daarmee worden de stamboeken en de NHS ondergeschikt aan het Productschap. De juridische basis onder de chipverplichting zoals de NHS die, op het moment dat zij weet dat zij haar zelfbenoemde bevoegdheid in dezen binenkort aan het PVV moet afgeven, nog even gauw probeert af te dwingen, is derhalve aanvechtbaar.
Koudbranden, een redelijk alternatief
Ondergetekende heeft op 05-04-2001 nog een ander alternatief ter sprake gebracht (althans zulks gepoogd), namelijk de methode van koudbranden. Groep 1 wenste daar niet serieus op in te gaan. Toch is koudbranden, zeker in vergelijking met chippen, een rationeel alternatief. Koudbranden is nagenoeg pijnloos, terwijl het uitstekend kan worden toegepast op een locatie die bij een gezadeld paard onzichtbaar is.
In de periode juni 1985 t/m juli 1986 zijn op het toenmalige Paarden Proef Bedrijf (PPB) in Brunssum 244 dieren van een vriesbrandmerk voorzien. Met betrekking tot het zgn Zweedse ijzer (een horizontale serie cijfers) merkte onderzoeker E.A.A.Smolders op: "Van de in totaal 200 paarden gebrand met het Zweeds ijzer was bij 74 % het nummer geheel afleesbaar. Naarmate de brander meer ervaring kreeg, nam het resultaat toe tot ca. 90 % aan het eind van het onderzoek."**
Ook de chip is op het PPB onderzocht, en wel bij 40 veulens (jaargang 1990) tussen 28-08-1990 en een tijdstip omschreven als "enige weken" na 12-10-1990. De onderzoekers H.Merkens en G.Bruin concludeerden: "De ingebrachte transponder blijkt op zich geen moeilijkheden op te leveren, maar het te grote aantal niet functionerende chips (10 %) vormt een probleem, waarvoor een nader onderzoek c.q. aanpassing van injectie-apparatuur en transponder noodzakelijk is."***
Van beide publicaties zijn identieke herdrukken verschenen, zonder enige vermelding van voortgezet onderzoek. De gechipte veulens zijn tussen november 1990 (afsluiten onderzoek) en maart 1994 (eerste herdruk) kennelijk niet aan een vervolgonderzoek en dus ook niet aan een monitoring-programma onderworpen geweest. Had dit wel plaatsgevonden, dan was daar ongetwijfeld in maart 1994 melding van gemaakt.
Aangezien koudbranden en chippen destijds tot dezelfde resultaten hebben geleid, (90 % succes) en koudbranden zowel qua kosten als qua contole nagenoeg overeenkomt met chippen, ligt naar redelijkheid en billijkheid het koudbranden als alternatief voor chipbezwaarden meer voor de hand dan de kostbare en omslachtige DNA-methode. Praktisch is de DNA-controle te beschouwen als doelbewust ontmoedigingsbeleid. Anticiperend op inmiddels geinitieerde wetgeving is het overigens niet aan de NHS, maar aan het PVV om dienaangaande een besluit te nemen.
*** E.A.A.Smolders: "Gebruikswaarde van vriesbranden voor identificatie van paarden" Uitgever: Proefstation voor de Rundveehouderij, Schapenhouderij en Paardenhouderij, Lelystad, Publicatie nr. 59, november 1988, ISSN 0169-2291, herdruk in "Paardenonderzoek 1990", juli 1990, ISSN 0169-1090
*** H.Merkens & G.Bruin: "Electronische identificatie" Uitgever: Proefstation voor de Rundveehouderij, Schapenhouderij en Paardenhouderij, Lelystad, in "Paardenhouderij", april 1993, ISSN 0921-8874, herdruk idem, maart 1994, ISSN 0921-8874